„Als er nun die baumwollenen Hemdärmel aufkrempelte, konnte man so recht sehen, was für ein Riese er war.“
„Toen hij nu de katoenen overhemdsmouwen oprolde, kon men pas goed zien wat voor een reus hij was.“
„Aus einem der Rucksäcke, den die Camper im Vorzelt zurückgelassen hatten, zog er eine Hose, die er aufkrempeln mußte, und ein T-Shirt, das an den Schultern spannte.“
„Uit een van de rugzakken, die de kampeerders in de voortent hadden achtergelaten, trok hij een broek, die hij moest oprollen, en een T-shirt, dat bij de schouders spande.“