
uitglijden- op een glad oppervlak uit evenwicht raken, geen houvast vinden (en vallen)
auf einer glatten Fläche aus dem Gleichgewicht kommen, keinen Halt finden (und hinfallen)
ontglippen- uit de hand glijden, glippen; iets niet goed vasthouden en daardoor de gewenste handeling er niet meer mee kunnen uitvoeren
aus der Hand gleiten, rutschen; etwas nicht richtig festhalten können, und deshalb damit die gewünschte Tätigkeit nicht mehr durchführen können
uitdrijven- zo lang glijden tot men/het (= de glijdende persoon/het glijdende voorwerp) vanzelf tot stilstand komt
so lange gleiten, bis man/es (= die gleitende Person/der gleitende Gegenstand) von allein zum Stehen kommt