
uitlekken- als vloeistof uit een opening naar buiten treden
als Flüssigkeit aus einer Öffnung austreten
aflopen- een tijdstip bereiken waarop iets eindigt, bijvoorbeeld een contract
einen Zeitpunkt erreichen, an dem etwas endet, beispielsweise ein Vertrag
uitlopen- na het sporten rustig lopen
nach dem Sport locker laufen
uitvaren- een haven verlaten
einen Hafen verlassen