schoffelen- met een werktuig (hak) de aarde losmaken
mit einem Werkzeug (Hacke) die Erde auflockern
Beim Rübenbau behackte man die Zwischenräume mit der Pferdehacke, der Furchenegge oder dem Rübenjäter.
Bij de bietenteelt schoffelde men de tussenruimten met de paardenschoffel, de voreneg of de bietenjäter.
2
pikken- met een snavel op iets inhameren (pikken)
mit einem Schnabel auf etwas herumhämmern (hacken)
„Allein in unmittelbarer Nähe der älteren Bestände behackt der grosse Buntspecht doch zuweilen einzelne eingegangene Stämmchen und säubert dieselben von vielen, in der Regel sogar von den meisten Feinden.“
„Alleen in de onmiddellijke nabijheid van de oudere bestanden pikt de grote bonte specht toch soms enkele afgestorven stammetjes aan en bevrijdt die van vele, in de regel zelfs van de meeste vijanden.“