Mein Vater befahl mir gebieterisch: „Hausaufgaben machen, Zimmer aufräumen, dann kommst Du zu mir!“
Mijn vader beval mij gebiedend: "Huiswerk maken, kamer opruimen, dan kom je naar mij toe!"
In der Regel weckte er uns […] gegen sechs Uhr in der Frühe und forderte gebieterisch sein Frühstück.
Doorgaans wekte hij ons [...] tegen zes uur 's ochtends en eiste gebiedend zijn ontbijt.