in (das Innere von) etwas sehen; seinen Blick von dort draußen nach hier drinnen richten (in Richtung zum Sprechenden)
Vor unserem Verkaufswagen bildete sich eine Menschenschlange, aber die meisten Leute blickten nur kurz herein und gingen dann weiter, ohne etwas zu kaufen.
voor onze verkoopwagen vormde zich een mensenrij, maar de meeste mensen keken alleen even naar binnen en liepen daarna verder zonder iets te kopen.
Ein schöner Morgen! Die Sonne blickt zum Fenster herein.
wat een mooie ochtend! de zon kijkt door het raam naar binnen.