
rondlopen- zich te voet doelloos of zonder precieze richting op een plaats bewegen
sich zu Fuß ziellos oder ohne genaue Richtung an einem Ort bewegen
omlopen- in een kring / boog om iets heen lopen / wandelen
in einem Kreis/Bogen um etwas laufen/wandern
laten rondgaan- iets van de ene persoon naar de andere doorgeven
etwas von einer Person zur nächsten reichen
verstrijken- voorbijgaan, verlopen
vergehen, verstreichen
rondspoken- zich voortdurend met een gedachte bezighouden
sich fortwährend mit einem Gedanken beschäftigen
circuleren- een nieuwtje / verhaal verder vertellen
eine Neuigkeit/Geschichte weitererzählen