
neerstorten- plotseling (van hier boven) naar (daar) beneden vallen (weg van de spreker)
plötzlich (von hier oben) nach (dort) unten fallen (weg vom Sprechenden)
omlaag suizen- zich snel naar beneden bewegen (weg van de spreker)
sich schnell abwärts bewegen (weg vom Sprechenden)
omlaag snellen- zich haastig (van hier boven) naar (daar) beneden bewegen (weg van de spreker)
sich eiligst (von hier oben) nach (dort) unten bewegen (weg vom Sprechenden)
in de diepte storten- bewerkstelligen dat iemand of iets naar (daar) beneden, in de diepte valt (weg van de spreker respectievelijk de handelende)
bewirken, dass jemand oder etwas nach (dort) unten, in die Tiefe fällt (weg vom Sprechenden beziehungsweise Handelnden)
opschrokken- iets haastig eten of drinken
etwas hastig essen oder trinken
zich omlaag storten- zich opzettelijk in de diepte laten vallen
sich absichtlich in die Tiefe fallen lassen