
ieder- een enkele (een enkele vrouw, een enkel ding) samen met alle anderen van een groep
ein Einzelner (eine Einzelne, ein Einzelnes) zusammen mit allen anderen einer Gruppe
elk- een enkele (een enkele vrouw, een enkel ding) van een groep elk voor zich
ein Einzelner (eine Einzelne, ein Einzelnes) einer Gruppe je für sich
elk- alle afzonderlijken van een groep
alle Einzelnen einer Gruppe