„Sie dringen klirrend in den Hof, Sie metzeln, daß er von Blute troff.“
„Ze dringen rinkelend het erf binnen, ze steken neer, dat het van bloed droop.“
„Von einem hinterlistigen Feinde jämmerlich niedergemacht, den sie selbst vorher als (wie) das Vieh gemetzelt.“
„Door een verraderlijke vijand jammerlijk neergemaakt, die zij zelf tevoren als het vee hadden neergestoken.“