„Auch ihr Kind lernte er kennen, es war ein grobknochiger Bursche mit stumpfem Gesicht, ungelenk von Gliedern und mürrisch. Berchtold tat ihm schön.“
„Ook haar kind leerde hij kennen, het was een grofgebouwde knaap met een stomp gezicht, onbeholpen van ledematen en nors. Berchtold deed lief tegen hem.‟
„Unterwegs begegnet ihr der Wolf und fängt an schönzutun: ‚Wo bist du denn die ganze Zeit gewesen, Gevatterin? Wir haben alle Höhlen abgesucht und dich nicht gefunden.‘“
„Onderweg ontmoet ze de wolf en die begint lief te doen: Waar ben je toch al die tijd geweest, commère? We hebben alle holen doorzocht en je niet gevonden.‟