„Sagte ich zum Knechte: „Was kommt dich an, mir das schöne Bäumlein da umzukarren?““
„Ik zei tegen de knecht: Wat bezielt je om dat mooie boompje daar voor mij omver te rijden?“
„Aber es ist nicht wie damals, als einer der Panzer, die nach Prag sollten, das Telephonhäuschen umgekarrt hatte.“
„Maar het is niet als toen, toen een van de tanks die naar Praag moesten het telefoonhuisje had omvergereden.“