kaal worden- de bladeren, het loof verliezen (kaal worden)
die Blätter, das Laub verlieren (kahl werden)
„Die Triebe verkahlten infolge von bald einsetzendem Blattfall von der Basis her. Bei den Nadelgehölzen waren die Nadeln grau- bis bräunlichgrün gefärbt. “
“De scheuten werden kaal als gevolg van al snel intredende bladval vanaf de basis. Bij de naaldbomen waren de naalden grijs- tot bruingroen gekleurd.”
2
kaalkappen- al het hout kappen, het bos rooien (kaal maken)
alles Holz schlagen, den Wald roden (kahl machen)
„Als Jahrhundertaufgabe muß die Forstwirtschaft auf den inzwischen verkahlten Flächen mit allen Mitteln versuchen, wieder Wald entstehen zu lassen.“
“Als taak van de eeuw moet de bosbouw op de intussen kaalgekapte vlakten met alle middelen proberen weer bos te laten ontstaan.”