Das Eis zerschmilzt und läuft dann in den Stausee.
Het ijs smelt weg en stroomt dan in het stuwmeer.
„Beim Sprechen hatte er die Angewohnheit zu lächeln und vorgebeugt die Hände zu reiben; er zerschmolz vor verlegener Höflichkeit.“
„Bij het spreken had hij de gewoonte te glimlachen en voorovergebogen de handen te wrijven; hij smolt weg van verlegen beleefdheid.“