Wenn die kleinen Fältchen da so zuckten und zitterten wie jetzt, war stets ein Streich unterwegs, mit dem er einen andern übertölpelte.
Als de kleine rimpeltjes daar zo trilden en beefden als nu, was er altijd een streek op komst waarmee hij een ander bedotte.
»… Peter, lesen Sie mir die Geschichte von Jakob, wie er den Esau mit einem Gericht Linsen übertölpelte und seines Vaters Segen empfing.«
»… Peter, lees mij het verhaal van Jakob voor, hoe hij Ezau met een schotel linzen bedotte en zijn vaders zegen ontving.«