kleiner Raum, in dem meist Utensilien zum Putzen (darunter Besen) oder Ähnliches gelagert werden
Wir entrümpeln heute die Besenkammer.
We ruimen vandaag het bezemhok op.
„Dort mußte er, unter Emmas Tränen, ebenfalls eingeschlossen werden, und zwar in Leas Besenkammer, von wo der ungeheure Lärm, den er machte, die Ohren der Nachbarn nur noch gedämpft traf.“
„Daar moest hij, onder Emma's tranen, eveneens worden opgesloten, en wel in Lea's bezemhok, vanwaar het enorme lawaai dat hij maakte de oren van de buren slechts gedempt bereikte.”