persönliche Eigenschaft, gerne etwas den Mitbürgern kostenlos zu überlassen beziehungsweise zu schenken
„Die Kirche genießt zwar dank der königlichen Freigebigkeit besondere Vorteile, ist aber doch dem Souverän völlig unterworfen.“
“De kerk geniet weliswaar dankzij de koninklijke vrijgevigheid bijzondere voordelen, maar is toch volledig aan de soeverein onderworpen.”
„Der Rückgang des Rohölpreises auf den internationalen Märkten wird es zweifellos dazu zwingen, seine Ausgaben und seine Freigebigkeit einzuschränken.“
“De daling van de ruweolieprijs op de internationale markten zal haar ongetwijfeld dwingen haar uitgaven en haar vrijgevigheid te beperken.”