
amandel- eetbaar zaad van een oneetbare steenvrucht
der essbare Same einer ungenießbaren Steinfrucht
amandelboom- de boom waaraan [1] groeit
der Baum, an dem ^([1]) wächst
keelamandel- lymfeklier bij de overgang van de mondholte naar de keel
Lymphknoten am Übergang von der Mundhöhle zum Rachen
mandel- oude hoeveelheidsmaat van 15 of 16 stuks
altes Mengenmaß von 15 oder 16 Stück
korenmandel- op het veld samengelegde schoven (meestal 15)
auf dem Feld zusammengelegte Garben (meist 15)