für die sprechende(n) oder angesprochene(n) Person(en) beziehungsweise Ding(e) stehendes Pronomen
„Ich“ ist das Personalpronomen der 1. Person.
„Ik” is het persoonlijk voornaamwoord van de 1e persoon.
„Die Endung des Verbs zeigt deutlich, dass es sich hier um die erste Person Singular handelt, ein Personalpronomen war zur Verdeutlichung nicht nötig.“
„De uitgang van het werkwoord toont duidelijk dat het hier om de eerste persoon enkelvoud gaat, een persoonlijk voornaamwoord was ter verduidelijking niet nodig.“