
tap- klein staafje of kegel die uit een vlak steekt
kleiner Stab oder Konus, der aus einer Ebene herausragt
kegel- verhoute, aarvormige bloeiwijzen, bijvoorbeeld van coniferen en elzen
verholzte, ährenförmige Blütenstände, zum Beispiel von Koniferen und Erlen
spon- spon van een vat
Spund eines Fasses
kegeltjescel- zintuigcel op het netvlies van het oog voor het waarnemen van kleuren
Sehzelle auf der Netzhaut des Auges zur Wahrnehmung von Farben
flessendop- flessluiting
Flaschenverschluss
kogel- mager, rond deelstuk van de runderbout
mageres, rundes Teilstück der Rinderkeule