
aanslaan- aangaan, te lopen beginnen
angehen, zu Laufen beginnen
ingaan op- belangstelling tonen
sich interessiert zeigen
toesnellen- snel komen aanlopen
schnell herbeikommen
bespringen- tegen iemand opspringen
an jemandem hochspringen
aanlopen- in een sprong naar een turntoestel gaan
im Sprung an ein Turngerät gehen