Ich habe den Nachmittag damit verbracht, Brennholz zu beigen.
Ik heb de middag doorgebracht met brandhout op te stapelen.
„Die [Wurzel-]Stöcke waren schwer und ungebärdig […] vom zehnten an musste er den Steinblock ersteigen, um sie beigen zu können.“
“De [wortel]stronken waren zwaar en weerbarstig […] vanaf de tiende moest hij het steenblok beklimmen om ze te kunnen opstapelen.”