
vasthaken- aan iets haken/vast haken
an etwas haken/festhaken
aangerekend worden- voor iets negatiefs verantwoordelijk gemaakt worden, als veroorzaker van iets negatiefs gelden
für etwas Negatives verantwortlich gemacht werden, als Auslöser/Verursacher für etwas Negatives gelten
blijven plakken- op een plaats blijven, verwijlen
an einem Ort bleiben, verweilen
blijven zitten- een klas moeten overdoen, niet overgaan
eine Klasse wiederholen müssen, nicht versetzt werden
bijblijven- iets onthouden, iets geleerd hebben, in het geheugen blijven
sich etwas merken, etwas gelernt haben, im Gedächtnis bleiben