
houthakken- bomen vellen, hout hakken of dergelijke; houtslag uitoefenen
Bäume fällen, Holz hacken oder Ähnliches; Holzschlag ausüben
broddelen- zonder zorgvuldigheid werken of zonder behoedzaamheid met iets omgaan
ohne Sorgfalt arbeiten oder ohne Behutsamkeit mit etwas umgehen
schoffelen- een door veel tweekampen en overtredingen gekenmerkt, oneerlijk en hard spel spelen
ein von vielen Zweikämpfen und Fouls geprägtes, unfaires und hartes Spiel bestreiten
rammelen- hard en onschoon, zonder enig gevoel voor het gebruikte muziekinstrument, spelen
hart und unsauber, ohne jegliches Gefühl für das verwendete Musikinstrument, spielen
knokken- aan een vechtpartij deelnemen, zich slaan
an einer Prügelei teilnehmen, sich prügeln
opbomen- (op de vlucht) op een boom vliegen of dit van boom tot boom doen
(auf der Flucht) auf einen Baum fliegen oder dies von Baum zu Baum tun
boomklimmen- (op de vlucht) in een boom klimmen of van boom tot boom springen
(auf der Flucht) auf einen Baum klettern oder von Baum zu Baum springen
beplanken- iets met hout bedekken of beslaan
etwas mit Holz bedecken oder beschlagen
bijstoken- (een vuur) van brandhout voorzien
(ein Feuer) mit Brennholz versorgen