„So mußte ich mir vorwerfen, daß ich ein gehässiges Gemüt besäße; dabei hatte ich mich einer solchen Abscheulichkeit bisher nie für fähig gehalten.“
„Zo moest ik mezelf verwijten dat ik een haatdragend gemoed bezat; daarbij had ik mezelf tot zo'n afschuwelijkheid nooit in staat geacht.“