
keer op keer- opnieuw, nog een keer, herhaald, steeds weer
abermals, noch einmal, wiederholt, immer wieder
maar- echter, daartegen
jedoch, dagegen
doch- toch, intussen, echter
doch, indessen, jedoch
echter- weliswaar, toch, echter
allerdings, doch, jedoch
wel- uitdrukking van een versterking
Ausdruck einer Verstärkung
toch- uitdrukking van de betrokkenheid van de zich uitende persoon, uitdrukking van gevoelens
Ausdruck der Anteilnahme der sich äußernden Person, Ausdruck von Empfindungen
evenwel- echter
jedoch
maar toch- uitdrukking van een bezwaar, een tegenwerping
Ausdruck eines Einwands, einer Entgegnung
woordherkomst- in het Oudhoogduits bestonden avur, in de 8e eeuw ook afa en afar als bijwoord en voegwoord. deze vormen zijn net als het Middelhoogduitse aber en aver, het Middelnederduitse āver, ōver en ēver ‘opnieuw, andermaal; maar, daartegen’, het verwante Gotische voorzetsel afar ‘na’, het in samenstellingen gebruikte Oudnoorse en dialectische Noorse aur- ‘achter, onder’ alsook vermoedelijk ook het Oudnoorse afar- ‘bijzonder, zeer’ oude comparatiefvormingen bij het Indo-Europese *apu, *apo ‘af, weg’. hiertoe behoren ook het Oudindische अपरम् (aparám) ‘later, toekomstig’, het Avestische bijvoeglijk naamwoord apara- ‘achterste; volgende, tweede (in de volgorde); latere, toekomstige’, het Oudsaksische aƀaro alsook het Oudengelse eafora ‘nakomeling’. wat de betekenis betreft volgt uit de etymologie dat aber aanvankelijk voor ‘later, verder verwijderd’ heeft gestaan. hieruit ontstond in het Duits de betekenis ‘weer, nog een keer’ als uitdrukking van herhalingen. uitgaande van de herhaling kon de betekenis zich daarna ook uitbreiden tot de aanduiding van tegenstellingen, wat herkenbaar is in vormingen als Aberglaube en Aberwitz, die telkens voor het tegendeel van hun grondwoord staan. in het Oudhoogduits zijn de betekenissen met betrekking tot herhaling en tegenstelling al ontwikkeld. het gebruik van aber als voegwoord komt op in het laat-Oudhoogduits.
Im Althochdeutschen existierten avur, im 8. Jahrhundert auch afa und afar als Adverb und Konjunktion. Diese Formen sind genau wie das mittelhochdeutsche aber und aver, das mittelniederdeutsche āver, ōver und ēver ‚wiederum, abermals; aber, dagegen‘, die verwandte gotische Präposition afar ‚nach‘, das in Zusammensetzungen gebrauchte altnordische und mundartliche norwegische aur- ‚hinter, unter‘ sowie vermutlich auch das altnordische afar- ^(→ non) ‚besonders, sehr‘ alte Komparativbildungen zum indoeuropäischen *apu, *apo ‚ab, weg‘. Hierher gehören auch das altindische अपरम् (aparám) ^(→ sa) ‚später, künftig‘, das awestische Adjektiv apara- ‚hinterer; folgender, zweiter (in der Reihenfolge); späterer, künftiger‘, das altsächsische aƀaro sowie das altenglische eafora ^(→ ang) ‚Nachkomme‘. Hinsichtlich der Bedeutung ergibt sich aus der Etymologie, dass aber anfangs für ‚später, weiter entfernt‘ gestanden hat. Hieraus entstand im Deutschen die Bedeutung ‚wieder, ein weiteres Mal‘ als Ausdruck von Wiederholungen. Ausgehend von der Wiederholung konnte sich die Bedeutung dann auch auf die Bezeichnung von Gegensätzen ausdehnen, was in Bildungen wie Aberglaube und Aberwitz erkennbar ist, die jeweils für das Gegenteil ihres Grundwortes stehen. Im Althochdeutschen sind die Bedeutungen hinsichtlich Wiederholung und Gegensatz bereits ausgebildet. Die Verwendung von aber als Konjunktion kommt im Spätalthochdeutschen auf.