
uitblazen- een vlam door blazen doven
eine Flamme durch Blasen auslöschen
leegblazen- door blazen verwijderen
durch Blasen entfernen
schoonblazen- iets leeg blazen, door blazen schoonmaken
etwas leer blasen, durch Blasen säubern
uitademen- blazend uitademen, uitstoten
blasend ausatmen, ausstoßen
stilleggen- de hoogoven buiten bedrijf stellen doordat de ovenruimte volledig wordt geleegd
den Hochofen außer Betrieb setzen, indem man den Ofenraum völlig entleert
ophouden met waaien- ophouden te blazen, te waaien
aufhören zu blasen, zu wehen