
naakt- naakt, bloot
nackt, bloß
kaal- kaal
kahl
leeg- leeg
leer
ongehuwd- ongetrouwd, ongehuwd
unverheiratet, ledig
puur- zonder toevoeging, rein, puur, niets dan
ohne Zutat, rein, pur, nichts als
berooid- van alle middelen ontbloot, bankroet
aller Mittel entblößt, bankrott
dun- dun, zwak
dünn, schwach
vochtig- vochtig, vers, nog niet droog
feucht, frisch, noch nicht trocken
alleen- enig en alleen
einzig und allein
rond- gladweg, rond (in verbinding met getallen)
glatt weg, rund (in Verbindung mit Zahlen)
koud- koud
kalt
bloot- naakt, bloot; zonder beschermende bedekking
nackt, bloß; ohne schützende Decke
onbegroeid- kaal; grasloos, onbegroeid
kahl; graslos, unbewachsen
ongekleed- naakt, bloot; ongekleed, naakt, zonder kleding
nackt, bloß; unbekleidet, nackt, ohne Kleidung
haarloos- kaal; zonder haren; onbehaard, geschoren, baardloos
kahl; ohne Haare; unbehaart, geschoren, bartlos
ontbladerd- kaal; onbebladerd, boomloos
kahl; unbelaubt, baumlos
veerloos- kaal; onbevederd, zonder veren of schubben
kahl; unbefiedert, ohne Federn oder Schuppen