ophelderen- meedelen hoe iets zich in werkelijkheid verhoudt
mitteilen, wie sich etwas in Wahrheit verhält
Damit wären hoffentlich alle Unstimmigkeiten geklärt.
Daarmee zouden hopelijk alle onduidelijkheden zijn opgehelderd.
„Wenn die Entfernung zur Immobilie gering ist, minimieren sie auch so ihren zeitlichen Aufwand bei einem Mieterwechsel und können im Bedarfsfall Probleme persönlich klären.“
„Wanneer de afstand tot het vastgoed gering is, beperken zij ook zo hun tijdsinvestering bij een huurderswissel en kunnen zij in geval van nood problemen persoonlijk ophelderen.
2
zuiveren- van vuil bevrijden
von Schmutz befreien
In die Bäche dürfen Abwässer nur, wenn sie vorher geklärt wurden.
In de beken mag afvalwater alleen worden geloosd als het vooraf is gezuiverd.
3
wegwerken- van dreigende spelsituaties bevrijden
von drohenden Spielsituationen befreien
Der Libero in der Mannschaft hat vor dem Tor mit seinem Einsatz geklärt.
De libero in het elftal heeft voor het doel met zijn inzet weggewerkt.