
zitten- zich met de billen op iets neergelaten hebben
sich mit dem Gesäß auf etwas niedergelassen haben
rusten- zich rustig op een plaats ophouden
sich ruhig an einem Ort aufhalten
verblijven- zich langere tijd op dezelfde plaats ophouden
sich längere Zeit an demselben Ort aufhalten
passen- qua maat of snit passend zijn
von Größe oder Schnitt angemessen sein
gevestigd zijn- woonachtig zijn, zijn zetel hebben
ansässig sein, seinen Sitz haben
vastzitten- in de gevangenis zijn
im Gefängnis sein
kloppen- op de juiste plaats/positie zijn
an der richtigen Stelle/Position sein
beheersen- zo lang geoefend hebben dat men iets (bijvoorbeeld een tekst, een gedicht, een rede, een muziekstuk) heel goed beheerst
so lange geübt, dass man etwas (beispielsweise einen Text, ein Gedicht, eine Rede, ein Musikstück) sehr gut beherrscht