„Im Polnischen gibt es nur drei Zeitformen: Vergangenheit, Gegenwart und Zukunft.“
„In het Pools zijn er slechts drie werkwoordstijden: verleden tijd, tegenwoordige tijd en toekomende tijd.“
„Auch kann ich ein Verb in allen Zeitformen konjugieren oder es am Ende eines Nebensatzes einordnen.“
„Ook kan ik een werkwoord in alle werkwoordstijden vervoegen of het aan het eind van een bijzin plaatsen.“