
in brand staan- in vlammen staan, aan vuur blootgesteld zijn
in Flammen stehen, dem Feuer ausgesetzt sein
gloeien- voor iemand of iets genegenheid voelen
für jemanden/etwas eine Zuneigung empfinden
brandbaar zijn- brandbaar zijn
brennbar sein
aanstaan- in werking zijn
in Betrieb sein
steken- hitte uitstralen
Hitze ausstrahlen
prikken- de huid, ogen of slijmvliezen irriteren
die Haut, Augen oder Schleimhäute reizen
bakken- door hitte, meestal in een oven, de eigenschappen veranderen
durch Hitze (meist in einem Ofen) die Eigenschaften verändern
stoken- door distillatie het alcoholgehalte van een alcoholische drank verhogen
durch Destillation den Alkoholgehalt eines alkoholischen Getränkes erhöhen
branden- met een brander een verzameling muziek- of andere gegevens op cd of dvd archiveren of kopiëren
mit einem Brenner eine Zusammenstellung von Musik- oder anderen Daten auf CD oder DVD archivieren/kopieren
krullen- lokken met een krultang vormen
(Locken) mit einer Brennschere formen