
binnenrijden- met een vervoermiddel iets of een plaats binnenrijden
mit einem Fortbewegungsmittel in eine Sache/in einen Ort hineinfahren
afdalen- in een schacht naar beneden rijden
in einen Schacht hinabfahren
binnendringen- in een hol (in de grond gegraven schuilplaats van sommige dieren) binnenkruipen
in einen Bau (in den Boden gegrabener Unterschlupf mancher Tiere) hineinkriechen
binnenhalen- de oogst naar de opslagplaats brengen
die Ernte zum Lagerort bringen
inrijden- een voertuig of een trekdier aan het voortbewegen laten wennen
ein Fahrzeug oder ein Zugtier an das Fortbewegen gewöhnen
wennen aan- aan een nieuw voertuig wennen
sich an ein (neues) Fahrzeug gewöhnen
inslijten- na langere tijd tot gewoonte worden
nach einer längeren Zeit zur Gewohnheit werden
aanvoeren- een voorwerp naar zijn bestemming vervoeren
einen Gegenstand zu seinem Bestimmungsort transportieren
behalen- iets verkrijgen of winnen door zich er zeer voor in te spannen en inzet te tonen
etwas erhalten/gewinnen, indem man sich sehr darum bemüht (ringt) und Einsatz zeigt
intrekken- een onderdeel of iets dergelijks door een bepaald mechaniek naar binnen verzinken
ein Bauteil oder Ähnliches durch eine bestimmte Mechanik nach innen versenken
rammen- een voorwerp beschadigen door ertegenaan te rijden
einen Gegenstand beschädigen, indem gegen ihn gefahren wird