
vorm- uiterlijke, zichtbare gedaante, verschijningsvorm van iemand of iets
äußere, sichtbare Gestalt, Erscheinungsform von jemandem oder etwas
soort- bepaalde aard en wijze waarop iets voorkomt, geaard of vormgegeven is; herkenbare opbouw en/of structuur van iets
bestimmte Art und Weise, wie etwas vorkommt, geartet oder gestaltet ist; erkennbarer Aufbau und/oder Struktur von etwas
vormgeving- uiterlijke uitwerking en weergave van iets (in tegenstelling tot de inhoud)
äußere Ausgestaltung und Darstellung von etwas (im Gegensatz zum Inhalt)
samenlevingsvorm- aard en wijze waarop een samenleving is opgebouwd, gestructureerd
Art und Weise, wie eine Gesellschaft aufgebaut, strukturiert ist
manieren- alle gedragingen die men in het maatschappelijk verkeer in acht moet nemen
sämtliche Verhaltensweisen, die man im gesellschaftlichen Umgang zu beachten hat
levensvorm- soort levend wezen met zijn eigenschappen
Art von Lebewesen mit ihren Eigenschaften
taalvorm- schriftelijke of klankmatige gedaante van talige eenheden of ook gedachteconstructies
schriftliche oder lautliche Gestalt (= Bezeichnendes) von sprachlichen Einheiten oder auch gedankliche Konstrukte
mal- voorwerp waarmee men aan een massa of een stof een bepaalde vorm kan geven (bijvoorbeeld gietvorm, bakvorm)
Gegenstand, mithilfe dessen man einer Masse oder einem Stoff eine bestimmte Form geben kann (zum Beispiel Gussform, Backform)
conditie- lichamelijke gesteldheid van een mens
körperliche Verfassung eines Menschen
vormprincipe- eindtoestand die het veranderde aanneemt
Endzustand, den das Veränderte annimmt
algebraïsche vorm- homogene afbeelding in het grondlichaam respectievelijk de grondring
homogene Abbildung in den Grundkörper beziehungsweise den Grundring
taxonomische vorm- laagste taxon bij planten onder de variëteit, waarvan de vertegenwoordigers in het algemeen slechts in één kenmerk van het normaaltype afwijken
niedrigstes Taxon bei Pflanzen unterhalb der Varietät, deren Vertreter im Allgemeinen nur in einem Merkmal von dem Normaltypus abweichen