
heten- genoemd worden, de naam hebben
genannt werden, den Namen haben
noemen- iemand als iets aanduiden
jemanden als etwas bezeichnen
gelasten- iemand opdragen iets te doen
jemanden anweisen, etwas zu tun
betekenen- een bepaalde zin hebben
einen bestimmten Sinn haben
verluiden- er wordt verteld
es wird erzählt
gelden- er geldt
es gilt
hijsen- vlag of zeil hijsen, omhoogtrekken
Fahne oder Segel hissen, hochziehen