
losmaken- bewerkstelligen dat iets niet meer vast bevestigd, verbonden is; iemand van zijn boeien bevrijden
bewirken, das etwas nicht mehr fest angebracht, verbunden ist; jemanden von seinen Fesseln befreien
zich vrijmaken- zich van iets vrijmaken
sich von etwas frei machen
loskomen- van iets (meestal als lastig, storend, onaangenaam ervaren) loskomen; zich van een bezigheid vrijmaken
von etwas (zumeist als lästig, störend, unangenehm Empfundenen) loskommen; sich von einer Tätigkeit freimachen
afvaren- van de aanlegplaats (kade of dergelijke) wegvaren
vom Anlegeplatz (Kai oder dergleichen) wegfahren
opschieten- zich inspannen om iets vlot af te handelen, met iets vlot vooruit te komen; ophouden met treuzelen
sich bemühen, etwas zügig zu erledigen, mit etwas zügig voranzukommen; aufhören zu trödeln
vertrekken- een plaats verlaten (om iets te ondernemen)
einen Ort verlassen (um etwas zu unternehmen)
aanpakken- iets (vastberaden, onstuimig) aanpakken
etwas (entschlossen, ungestüm) in Angriff nehmen