
werken- actief zijn, nuttig zijn, iets scheppen, iets tot stand brengen
tätig sein, nützlich sein, etwas schaffen, etwas vollbringen
werken- een werking ontplooien, effect hebben
eine Wirkung entfalten
overkomen- een indruk wekken
einen Eindruck erwecken
breien- textiel (breigoed) volgens een breiprocedé vervaardigen
Textilien (Wirkware) nach einem Wirkverfahren herstellen
weven- weefsel met ingewerkte afbeeldingen of patronen vervaardigen
Gewebe mit eingearbeiteten Bildern oder Mustern herstellen
kneden- een deeg doorkneden
einen Teig durchkneten