Der Fußboden ist mit Teppichen ausgelegt.
De vloer is met tapijten belegd.
„Der Fußboden war aus gestampftem Lehm, hinter dem Ladentisch im Regal ein paar nutzlose Waren und Attrappen, die Fenster verklebt vom Fliegendreck.“
“De vloer was van aangestampte leem, achter de toonbank in het schap een paar nutteloze waren en namaakartikelen, de ramen beplakt met vliegenvuil.”