
tong- het beweeglijke orgaan in de mond waarmee men proeft, likt, het voedsel heen en weer schuift en spreekt
das bewegliche Organ im Mund, mit dem man schmeckt, schleckt, leckt, die Nahrung hin und her schiebt und spricht
schoentong- beweeglijk lipje in het midden van de schoen
bewegliche Lasche in der Mitte des Schuhs
klanktong- deel in een muziekinstrument dat in de luchtstroom trilt
Teil in einem Musikinstrument, das im Luftstrom schwingt
taal- taal
Sprache
balanswijzer- het deel van de balkweegschaal dat het evenwicht aangeeft, tongetje
der Teil der Balkenwaage, der das Gleichgewicht zeigt, Zünglein