
alleen- voor zichzelf, gescheiden, eenzaam, afzonderlijk zijn; slechts; zonder bijstand, getuigen, aanwezigheid van andere personen, zonder hulp zijn
für sich, getrennt, einsam, einzeln sein; nur; ohne Beistand, Zeugen, Anwesenheit von anderen Personen, ohne Hilfe sein
uitsluitend- met uitsluiting van andere personen, voorwerpen, omstandigheden; slechts
ausschließlich anderer Personen, Gegenstände, Umstände; nur
maar- maar, toch
aber, doch