
ziel- kenmerkend eigenschap van levende wezens; het onsterfelijke deel van de (voelende) levende wezens
charakteristisches Merkmal lebender Wesen; der unsterbliche Teil der (fühlenden) Lebewesen
gemoed- gevoelswereld van een levend wezen, oorspronkelijk alleen bij mensen, later ook aan dieren (zoals een dagelijks begeleidend rijpaard of huisdieren) en andere levende wezens toe- of erkend
die Gefühlswelt eines Lebewesens, ursprünglich nur bei Menschen, später auch den Tieren (wie ein täglich begleitendes Reitpferd oder Haustiere) und anderen Lebewesen zu- oder anerkannt
goedzak- welwillende instantie
gutwillige Instanz
inwoner- lid of inwoner van een (kerk)gemeente
Mitglied oder Einwohner einer (Kirchen-)Gemeinde
bezieling- boodschap van een muziekstuk
Botschaft eines Musikstückes
kern- binnenste van een touw, kabel of iets dergelijks
Inneres eines Seiles, Kabels oder Ähnlichem
vulling- binnenste of vulling van menig soldeertin met vloeimiddel
das Innere oder die Füllung manchen Lötzinns mit Flussmittel
klankstaaf- binnenonderdeel (de stapel) van een viool of andere snaarinstrumenten
Innenbauteil (der Stimmstock) einer Violine oder anderer Saiteninstrumente
holte- holte, bijvoorbeeld van een geweerloop of de as van een kurkentrekker
Hohlraum, zum Beispiel eines Gewehrlaufs oder der Achse eines Korkenziehers
seelbrood- zuid-Duitse broodspecialiteit
süddeutsche Brotspezialität