
opspelden- iets met een speld of iets dergelijks vastmaken; op of aan iets steken
etwas mit einer Nadel oder dergleichen befestigen; auf/an etwas stecken
omdoen- een ring of iets dergelijks om de vinger schuiven
einen Ring oder dergleichen auf den Finger ziehen
inpluggen
den Stecker eines elektrischen Geräts oder dergleichen in die (für ihn vorgesehene) Buchse, Steckdose oder dergleichen stecken
aantappen- een (met vloeistof gevuld) vat door aanprikken openen
(ein mit einer Flüssigkeit gefülltes Behältnis) durch Anstich öffnen
aansteken- tot branden brengen; met vernietigende opzet een brand veroorzaken
zum Brennen bringen; in zerstörerischer Absicht einen Brand verursachen
besmetten- zijn eigen ziekteverwekkers op iemand overdragen, zodat diegene eveneens ziek wordt; de eigen ziekte aan iemand doorgeven
seine eigenen Krankheitserreger auf jemanden übertragen, sodass der- oder diejenige ebenfalls erkrankt; die eigene Krankheit an jemanden weitergeben
besmet worden- door ziekteverwekkers (door contact met een ziek persoon) bevangen worden en daardoor eveneens ziek worden
von Krankheitserregern (durch den Kontakt mit einer kranken Person) befallen werden und dadurch ebenfalls erkranken
meeslepen- bij iemand soortgelijke reacties oproepen; gemakkelijk op iemand overslaan
bei jemandem ähnliche Reaktionen auslösen; leicht auf jemanden überwechseln