
doorlaten- iemand de doorgang toestaan (plaatselijk en overdrachtelijk)
jemandem den Durchgang erlauben (örtlich und übertragen)
laten passeren- iets laten binnentreden, erdoorheen laten gaan, laten passeren
etwas eintreten, hindurch treten, passieren lassen
gedogen- iemand iets laten begaan; een daad van iemand toestaan
jemandem etwas durchgehen lassen; eine Tat von jemandem gestatten