
wegschuiven- met een ruk of schoksgewijs van iets weg bewegen, wegduwen
mit einem Ruck oder ruckweise von etwas wegbewegen, wegschieben
opzijschuiven- zich een beetje van een plek weg bewegen, opzij schuiven
sich von einer Stelle etwas wegbewegen, zur Seite rutschen
afmarcheren- met de hele troep geordend naar een andere plaats marcheren
mit dem gesamten Trupp geordnet an einen anderen Ort marschieren
distantiëren- afstand nemen van iemand of iets, zich distantiëren
von jemandem oder etwas Abstand nehmen, sich distanzieren